Met behulp van ping kunt u een pakketje gegevens naar een bepaald doel sturen om vast te stellen of de doelcomputer of netwerkbron actief is. Het principe is hetzelfde als een telefoongesprek. Je draait het nummer van de telefoon en wanneer de haak wordt opgenomen weet je dat iemand aanwezig is. Zo gebruikt u de ping-opdracht:
C:> ping
of
C:> ping /?
Het commando ping doet niet veel. U krijgt namelijk een overzicht van alle beschikbare parameters die met de ping-opdracht meegegeven kunnen worden. Dat gebeurt volgens deze syntax:
C:> ping Bparameter waarde doeladres
Het volgende voorbeeldcommando stuurt een testdatapakket met een standaardgrootte naar het ip- adres 64.134.234.0.1:
C:> ping Bl 64.134.234.0.1
Met de volgende opdracht kunt u een test uitvoeren op de computer waar u op werkt.
C:> ping localhost
of
C:> ping 127.0.0.1
Andere parameters die u kunt meegeven zijn onder meer:
- t - Het commando ping stuurt constant een voortdurende serie testdatapakketten in plaats van een eenmalige standaardset.
- l - Deze parameter stelt de grootte van het datapakket in.
- a - Met deze parameter kunt u het ingevulde ip-adres om laten zetten in een domeinnaam. U kunt ook rechtstreeks een domeinnaam opgeven, bijvoorbeeld:
C:> ping www.microsoft.nl
|