DATE/TIME
SQL Server 2008 introduceert nieuwe datatypes voor datum en tijd:
- DATE - alleen datum
- TIME - alleen tijd
- DATETIMEOFFSET - een datetime-datatype dat rekening houdt met tijdzones
- DATETIME2 - een datetime-datatype met grotere tijdprecisie en jaarbereik dan het bestaande DATETIME datatype
HIERARCHY IDStelt database applicaties in staat om boomstructuren efficiënter op te slaan dan tot nu toe mogelijk was. Het nieuwe system type 'HIERARCHYID' kan waarden bevatten die nodes in een hiërachische boomstructuur representeren. Dit nieuwe type is geïmplementeerd als CLR (Common Language Runtime) UDT (User defined types), en stelt verschillende methods beschikbaar voor het creëren en manipuleren van hiërarchische nodes, met een flexibel programmeermodel.
FILESTREAM Data
Maakt het mogelijk om grote binaire databestanden direct in een NTFS-filesysteem op te slaan, terwijl deze toch integraal onderdeel blijven van de database en waarbij transactionele integriteit behouden blijft. 'FILESTREAM' maakt het mogelijk om enorme hoeveelheden data (bijvoorbeeld foto's en video) buiten de database op te slaan op goedkopere storage, zonder database functionaliteit in te leveren.
Geïntegreerde full text searchGeïntegreerde full text search betekent een naadloze overgang tussen text search en relationele data. Gebruikers kunnen text indexes gebruiken om zeer snel full text te zoeken.
Sparse Columns
NULL data neemt geen fysieke ruimte in, wat een zeer efficiënte manier oplevert op lege data in een database te beheren. Sparse Columns maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat objectmodellen, die in het algemeen veel NULL waarden hebben, in SQL Server worden opgeslagen zonder hoge kosten voor niet gebruikte opslagruimte.
Large User-Defined TypesSQL Server 208 elimineert de 8KB limiet voor User Defined Types (UDT's), zodat gebruikers veel grotere UDT's kunnen definiëren.
Geografische Datatypes
Voeg locatie-intelligentie toe aan uw applicaties via SQL Server 2008's ondersteuning van geografische data. Implementeer 'round earth' oplossingen met het 'GEOGRAPHY'-datatype. Gebruik lengte- en breedtegraden om gebieden op het aardoppervlak te definiëren. Implementeer 'flat earth' oplossingen met het 'GEOMETRY'-datatype. Werk met polygonen, punten en lijnen die geassocieerd zijn met aardprojecties of met oorspronkelijk vlakke data, zoals ruimtes binnen gebouwen.
|